Een sociale carrière met een politieke wending

Vroeger, voordat ik mijn schrijfwerkzaamheden begon te vormgeven, had ik ruim tien jaar een “normale” baan als begeleider binnen de gehandicaptenzorg. Dit waren mooie tijden waar ik nog altijd met trots en plezier op terugkijk, maar rouwig om mijn vertrek ben ik daarentegen niet. Zoals de meeste begeleiders heb ik het welzijn van mijn cliënten altijd als uitgangspunt genomen, maar jammer genoeg vormt het ego van de Gestapo in bovenste laag van de organisatie een minstens zo grote hindernis om dit te realiseren als de gedragsproblematiek van je cliënten zelf. De gehandicaptenzorg kent namelijk een nogal bureaucratische werkwijze en politieke bedrijfscultuur, waar uiteindelijk de jaarrekening van groter belang is dan het welzijn van de cliënten (ook al staat het zo niet op papier). En wanneer je als begeleider hier een speld tussen wilt krijgen, zal je bereid moeten zijn om je arm tot aan je oksel in de reet van je baas te schuiven.

Best jammer eigenlijk, want talent op de werkvloer is er in overvloed. 

Om te beginnen zijn er onder de scholieren die ervoor kiezen een sociale opleiding te doen, globaal gezien vier types te onderscheiden. Allereerst heb je 1) de “gezelligheidsmensen”, zij beginnen aan een sociale opleiding omdat ze denken dat het gewoon kei-leuk is. Leden van deze groep vinden het dolletjes om het zichzelf en anderen naar de zin te maken, en hebben dergelijke verwachtingen van sociaal werk. Deze leerlingen houden van liedjes zingen, ballonnen opblazen en koekjes bakken en vinden ontwikkelingspsychologie en opvoedkunde “gewoon vet stom”. Vervolgens 2) heb je de“rugzakscholieren”: deze jongelui hebben in hun relatief korte leven teveel shit gezien en hebben vanuit huis geen stimulans gekregen om iets anders te ontwikkelen dan een sterke ruggengraat tegen het falen van hun ouders. Het willen (of moeten) opdraaien voor andermans ellende is voor deze groep geen bewuste- maar een logische keuze, ook al hebben ze dit zelf nog niet in de gaten. Ten derde 3) heb je de jongelui die totaal niet weten wat ze willen en daarom maar “iets met mensen” gaan doen omdat je bij een rechtenstudie moet je zoveel boeken doorspitten, en de laatste groep 4) zijn de personen die om de “juiste” redenen, dus zonder utopische ideeën of negatieve drijfveren uit het verleden, aan een sociale opleiding beginnen.

Echter komen veel van deze leerlingen er gaandeweg achter dat het werk in de praktijk niet alleen maar zo gezellig, zelfgenezend of eenvoudig is als het lijkt. Werken met mensen is niet altijd “leuk”, maar daarentegen wel eervol, dankbaar en bovendien vreselijk zwaar. Welke doelgroep je ook kiest, het is een keiharde professie met veel verantwoordelijkheid. Je krijgt te maken met ethische dilemma’s en tegengestelde belangen, je vangt letterlijk veel klappen op en je komt jezelf tegen. Om deze reden is er dan ook veel verloop binnen de sociale opleidingen. Veel rugzakleerlingen komen erachter dat hun knapzak toch best zwaar is, de twijfelaars realiseren dat hun vrije worp toch best wat strekkende gevolgen heeft en de keuvelaars ontwaken uit hun gezelligheidswaan wanneer ze erachter komen dat het werk toch meer vergt dan Japanse vouwkunsten en wangetjes knijpen. Ook al waren de intenties van deze jongelui wat betreft hun studiekeuze zelden slecht, al doende vallen veel rotte appels door de mand. Dat gezegd hebbende, de exemplaren die afstuderen én ook echt voor het eggie gaan werken, bruisen van het talent, motivatie en inzicht. Deze mensen leren hun cliënten goed kennen en ontwikkelen flexibiliteit, kennis en een trukendoos waar Hans Klok jaloers op zou zijn.

Maar ja, breng dat die theoretisch onderlegde hotemetoten die op kantoor zitten maar eens aan hun verstand. 

Wanneer je eenmaal arbeidsproductief bent binnen een team, zal je vrij snel leren dat je plaats kennen onderdeel is van je takenpakket. Bepalen wat de cliënt nodig heeft en de behandeling uiteenzetten doet de bovenlaag, en jij mag het uitvoeren tegen een karig kutloontje. Hoe dan ook heb je veel compassie voor je cliënten en zet je jezelf in voor de volle 100%, ook tijdens de slechte dagen. Je werkt hard en volgens instructie, maar gaandeweg kom je erachter dat het behandelplan wat haken en ogen heeft qua haalbaarheid, of dat er gewoon wat zaken over het hoofd worden gezien. Sommige cliënten kunnen nou eenmaal niet goed overweg met zelf ontbijt maken, petunia’s in het vensterbank of een cd van René Froger tijdens de lunch. Maar goed, befehl ist befehl, je wilt ook weer niet zo onbeschoft zijn door het werk van je leidinggevende in twijfel te trekken, of buiten je takenpakket om te werken. En dus knal je die cd over de speakers, laat je je cliënt zelf zijn broodjes smeren en veeg je dagelijks potgrond en beschadigd aardewerk op.

Maar wanneer je na een paar weken voor de zoveelste keer een vuistslag hebt mogen incasseren of een drol naar je hoofd geslingerd hebt gekregen begint de noodzakelijkheid tot interventie toch wel serieuze proporties aan te nemen, en met de belangen van je cliënt in je achterhoofd stap je met knikkende knieën op Grote Smurf af om aan te geven dat het misschien allemaal toch wel een heel klein beetje ietsiepietsie anders zou kunnen. En daar zit je dan op kantoor (een gebouw dat meer allure heeft dan de woonvorm) met je haren in de war, zweet in je naad, potgrond onder je nagels en het refrein van Een eigen huis dat maar in je hoofd blijft gonzen, in een poging duidelijk te maken dat de gedelegeerde behandelwijze in de praktijk niet haalbaar is én teveel risico’s met zich meebrengt. Maar helaas laat Grote Smurf zich niet graag op andere ideeën brengen, in de eerste plaats omdat jij maar een van het ROC afkomstige zwakzinnige kutidioot bent. 

Want, Grote Smurf is namelijk orthopedagoog. En orthopedagogen zijn om de een of andere reden zó verblind door hun opleidingsniveau, dat ze niet willen inzien dat ze zonder praktische werkervaring met cliëntcontact, gewoon on-fucking-mogelijk kunnen weten hoe zwaar het écht is om met mensen met gedragsproblematiek te werken. Desondanks doe je gewoon je verhaal, om vervolgens van Grote Smurf te horen te krijgen dat ze het “zal gaan bespreken”. Dit is vaktaal voor “lul niet zo uit je nek met je mbo’tje”. Tegen het einde van het gesprek probeer je tussen neus en lippen door nog duidelijk te maken dat door alle gebeurtenissen, jij en je collega’s tegen een lichte staat van overspannenheid aanhikken en dat enige haast gewenst zou zijn. En vervolgens zegt Grote Smurf met een stoïcijnse tronie vanuit haar kreukvrije mantelpakje absoluut niet te onderschatten hoe zwaar het is om met de cliënten te werken, maar dat jíj het allemaal “moet leren loslaten”. Wat een frisse wind! 

Dus stiekem ligt het eigenlijk allemaal aan jou.  

Indien er bij wijze van uitzondering wél iets wordt gedaan met jouw inbreng, gaat dit via alle stafleden en via ieder mogelijk communicatiemiddel in veelvoud heen en weer. Of het nou gaat om een grootschalige interventie of het regelen van setje potloden, er moet uitvoerig over worden gecorrespondeerd waardoor de besluitvorming uiteindelijk blijft hangen aan de strijkstok. Hierdoor zal je steeds dezelfde deuren opnieuw moeten intrappen, maar dan vinden ze je op kantoor algauw vervelend worden. En dan heb je al helemaal niets meer in te brengen. Dan ben je incompetent én een zeikerd. 

Het is heel simpel, wanneer je op de werkvloer iets in de melk wilt brokkelen zit er weinig anders op dan vriendjes te worden met Grote Smurf. En dit doe je het beste door diens professionele ego te strelen. Dus instemmend knikken, geen tegengas geven en met een brede grijns op je waffel die arm met gespreide vingers naar binnen hengsten. Echter dit is niet in het belang van de cliënten, en integer als je bent laat je je daar niet toe verleiden. Bij sommige collega’s daarentegen, kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Zij kunnen de tweestrijd tussen integriteit en aanzien niet verkroppen, en kiezen uiteindelijk toch voor het beklimmen van de organisatorische ladder door de juiste mensen naar de mond te praten. Met een lik omhoog en een trap omlaag gaan ze voor de persoonlijke winst, waardoor de binding die jullie onderling hadden langzaam afbrokkelt. Het draait allemaal om een beetje wedijver, poen en aanzien. En dat over de ruggen van de mensen die beter verdienen, namelijk de cliënten met wie je zo graag werkt.

Dit draagt allemaal bij aan de werkdruk die je in de eerste plaats al had, en niet zelden ga je met lood in je schoenen naar je werk.

Hoe dan ook is ontslag nemen geen optie, want ondanks alles wil je je cliënten blijven ondersteunen. Dus blijf je plakken en vorm je een hechte en warme band met de bewoners en je collega’s die in hetzelfde schuitje zitten. Jullie laten de leden van de kantoorsekte in hun grootheidswaan, lachen om het feit dat ze allemaal niet goed wijs zijn en doen gewoon wat goed is voor je cliënten. Dat levert uiteindelijk ook wel wat voldoening op, maar daar zal je bewust voor moeten kiezen. Hoe onredelijk het ook is, je zal je moeten neerleggen bij het feit dat de zorgbaas niet zozeer in jouw kunde is geïnteresseerd, maar een keiharde plasser heeft van vriendjespolitiek en lobbypraktijken. En ook daar moet je je maar net voor lenen.

Maar als je zo in elkaar had gezeten, was je om te beginnen nooit het sociale werk ingegaan. 

1 thought on “Een sociale carrière met een politieke wending”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *