Iets met burgerplicht en taalfilosofie

De verkiezingsperiode heeft bij mij thuis een beetje dezelfde culturele status als het WK Voetbal, met name tijdens de politieke debatten. Tijdens dit soort dagen sleep ik bier en voedsel aan voor een heel weeshuis, zit ik in opperbeste staat van nationalistisch-zijn aan de televisie gekluisterd en zuip ik mezelf volledig onder de tafel. Gewoon ongegeneerd genieten van het politieke moddergooien, en de manier waarop politici elkaar op diplomatieke wijze voor rotte vis uitmaken. Het is een korte periode van kostelijk vermaak, om naderhand weer met een frons op mijn baggus, druk gesticulerend in mijn eentje te gaan zitten hersenkraken over wat ik nou allemaal écht vind van de politiek. Zoals vandaag dus.

Persoonlijk ben ik niet eens zoveel bezig met politieke besluitvorming op zich, maar wel met de sociale verhoudingen ten gevolge van die besluitvorming. Want met de hedendaagse politiek in het licht van de informatiemaatschappij, hebben we hebben er feestelijk genoeg een nieuwe polarisatievariant bij gekregen. Een nieuwe scheiding tussen wij-en-zij, een frisse wind door de condities van onze sociale ongelijkheden. Ik heb het natuurlijk over de kunstmatige kloof tussen burgers onderling op basis van hun politieke mening, laat ik dit voor het gemak sociaal-politieke polarisatie noemen. Het gaat er jammer genoeg steeds meer op lijken dat de politiek ons net zoals bij een potje voetbal in een tweetal rivaliserende groepen scheidt, namelijk de anti-liberalen en de anti-socialisten. Ik heb het dus niet over onze politieke mening op zich, maar juist de manier waarop wij ons verhouden tot de figuren die er anders over denken. Want daarin ontbreekt het ons toch echt een beetje aan flexibiliteit. Liberaal staat tot “gore fascist”, socialist staat tot “naïeve linkse kut” en het hebben van een politieke mening staat tot één van deze twee.

Het vormen van een politieke mening en het uitdragen van een politieke stem, is hiermee niet geheel vrijblijvend.

De oorzaak hiervan zit ‘m wat mij betreft allemaal in het taalgebruik, en het maken van een kleine gedachtesprong richting de taalfilosofie. Want wat mij zo opvalt is dat deze sociaal-maatschappelijke tegenstellingen gewoon links en rechts snoeihard in de politieke vocabulaire zitten verwikkeld. Ons landsbestuur kent behalve geluiden zoals “centraal” en Alexander Pechtold maar weinig nuances, en ook dit is leidend voor de manier waarop wij ervaren. Onze perceptie van de werkelijkheid komt namelijk niet alleen tot uitdrukking in ons taalgebruik, maar wordt ook grotendeels gevórmd door dit taalgebruik. De betekenis van een abstractie zoals “populist” zal zichzelf manifesteren in onze perceptie zodra wij ermee in aanraking komen, en aldus zullen wij ons hiernaar gaan gedragen. Dit gedachtegoed wordt ondersteund door het linguïstisch relativisme, een taalfilosofische stroming waarin de gedachte dat ons taalgebruik een causale rol heeft in de ontwikkeling van ons wereldbeeld, centraal staat. En met zulke duidelijke tegenstellingen in het politieke jargon, zullen wij die tegenstellingen ook als dusdanig beschouwen. 

Neem nou als voorbeeld de woordelijke tegenstelling tussen links-radicaal en rechts-radicaal, oftewel extreemlinks en extreemrechts. Met name die laatste twee suggereren woordelijk gezien een duidelijke tegenstelling, dat terwijl deze stromingen in werkelijkheid helemaal niet zo sterk zijn tegengesteld. Sterker nog, ze hebben meer overeenkomsten dan verschillen. Beiden stromingen verwerpen het politieke regime, zijn antiparlementair en zetten activisme en geweld in. Het verschil zit hem hooguit in de denkwijze en de methodieken die gebruikt worden om de boel op te naaien, maar dat verschil maakt denk ik weinig verschil wanneer je met een lading uitwerpselen, een auto of charisma een menigte bestormt. De geringe verschillen tussen extreemlinks en extreemrechts zijn zelfs opgenomen in het zogenaamde “hoefijzermodel”, waarin de extremistische politieke stromingen dicht bij elkaar worden geplaatst en de gematigde varianten juist verder uit elkaar liggen. Deze twee zijn namelijk gewoon géén tegenstellingen. En toch is het talige component, namelijk extreemlinks en extreemrechts, een schijnbare tegenstelling en dus zullen wij het ook zo ervaren. 

Vervolgens zien we dat het voor zowel ons als de media, kinderlijk eenvoudig is om met het vingertje in de politieke richting te wijzen. En eigenlijk is het ook wel lekker makkelijk om te doen, toch? Gewoon wat terminologieën in blik erop loslaten, dat scheelt een mens weer nadenken en onderbouwen. Met name voor de media geldt dat ze een politicus kunnen maken of breken met behulp van deze gepolariseerde woordkeus. Het is een kwestie van een paar demoniserende artikelen eruit pompen met wat uithalen in de richting van extreemlinks of extreemrechts, en klaar is Kees. En voordat je het weet is Asscher ineens een Stalin, Baudet ineens een fascist of is Klaver ineens geen Nederlander maar een Duitse Herder.

Maar goed, ik wil natuurlijk niet stellen dat die linkse wegkijkers en rechtse populisten helemaal niet bestaan, dus bij deze een kleine shout-out naar jullie. Hoera. Maar het zou wel wenselijk zijn als we voortaan wat voorzichtiger zijn met het smijten met dat extreem-hier-en-daar, want ja, de échte linkse en rechte fascisten hebben natuurlijk ook gevoelens. Interessant genoeg kan ik nu naar aanleiding van dit kletspraatje mijn persoonlijke overtuigingen in het licht van het linguïstisch relativisme houden, en mijzelf gaan afvragen of ik me deze politiek-sociale segregatie niet gewoon inbeeld. Bestaat segregatie wel op zich? Bestaat het linguïstisch relativisme überhaupt wel? Wat een ellende. Het geeft allemaal stof tot nadenken -en schrijven.

Maar van één ding ben ik wel zeker, of het nou een linkse politicus is of een rechtsgebalde klootzak, Jesse Klaver is in ieder geval géén Duitse Herder. 

3 thoughts on “Iets met burgerplicht en taalfilosofie”

  1. Het lijkt mij ook dat de partij die het drukst in de weer is met newspeak, met het verdraaien van betekenissen en het uitbannen van woorden die de realiteit weergeven schuren en vervangen voor nieuwe woorden, en de gesprekspartner demoniseren als men met een mond vol tanden komt te staan, dat die partij helemaal geen zin heeft in een debat of om toe te geven dat ze er naast zitten of zaten. Dan zijn we dus uitgepraat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *